Genre: Neoclassicisme
Componisten/uitvoerenden: Matthijs Vermeulen | Willem Pijper
Opnametechniek: Joost Kist
Krijgen “onze” toppers eindelijk de aandacht die ze van ons verdienen?
Sommige clichés houden zichzelf hardnekkig in stand. Neem nou het cliché dat er in Nederland geen muziek van betekenis gemaakt wordt. In ieder geval niet tussen Sweelinck en Andriessen. Met zo’n wijdverbreide instelling doet niemand de moeite om naar die Nederlandse muziek te luisteren. Zo leert niemand die muziek kennen en wordt ze ook nooit geliefd.
Gelukkig is er het Amsterdamse conservatorium veel aan gelegen dit vooroordeel te doorbreken. In de Sweelinckzaal (!) klinken werken van twee grote componisten uit het interbellum. En het mooie is: veel van de uitvoerenden komen uit het buitenland, dus na hun opleiding nemen ze hun kennis van ‘onze’ muziek mee over de grens!
Willem Pijper (1894-1947) was voor de oorlog de grote man van het Nederlandse muziekleven. Geïnspireerd door de nieuwste trends uit Frankrijk en Duitsland componeerde hij in een neoklassieke stijl, waarin achttiende-eeuwse vormschema’s gekruid worden door polytonaliteit en polyritme. Typisch voor Pijper is dat hij dit strak organiseert door een heel stuk op te bouwen uit een ‘kiemcel’ van een enkele maat. Degelijk vakwerk dus, moderne muziek moet niet op chaos uitlopen.
Door zijn manier van doen was Pijper, net als de meeste Nederlandse componisten in die tijd, gericht op Frankrijk. Dat begrijpen we: daar voerden (min of meer) verwante componisten de boventoon. Minder bekend is dat Pijper ook arrangementen maakte van verschillende Franse kerstliederen. De Franse sopraan Perrine Gouarné is geknipt om deze liederen hier te zingen.
Matthijs Vermeulen (1888-1967) wordt vaak in één adem met Pijper genoemd. Of hij daar zelf zo blij mee was geweest, staat nog te bezien. Over het algemeen moest hij weinig hebben van zijn collega’s. Zijn stijl is zo’n beetje het tegenovergestelde van Pijper. Als een van de weinige Nederlanders in die tijd componeert Vermeulen atonaal, en ‘organisatie’ is een vies woord. Het liefst schrijft hij zonder filter de noten op die in hem opkomen. Het maakt hem tot een buitengewoon origineel componist, ook al kan zijn muziek niet iedereen bekoren. In zijn Strijktrio uit 1923 gaat hij nog relatief gestructureerd te werk; mogelijk heeft dat ook te maken met de delicate aard van het genre.