
za 18 juli, 17:00 uur – House of Hard Bop.
In september 1958 stond het Miles Davis Sextet op het podium van het Plaza Hotel in Manhattan New York. Het concert werd opgenomen – de muzikanten wisten dat niet. Publicatie volgde in 1973, onder de titel Jazz at the Plaza Vol. 1. (Columbia Records, producer Teo Macero). U hoort het volledige album, bestaande uit vier stukken. Dan 2 stukken van het best verkochte jazzalbum aller tijden: Kind of Blue uit 1959.
Bezetting: naast Davis en Coltrane, Cannonball Adderley (as), Bill Evans (pno), Paul Chambers (bs) en Jimmy Cobb (drs). In één stuk van Kind of Blue zit niet Bill Evans, maar Wynton Kelly aan de piano.
‘The Plaza’ is een iconisch hotel in New York City (foto). Talloze rijke en beroemde gasten: Enrico Caruso, F. Scott Fitzgerald, Frank Lloyd Wright. Het is ook een populaire filmlocatie: North by Northwest, Scent of a Woman, Sleepless in Seattle. In september 1958 organiseert Columbia Records een feest in de Persian Room, ter viering van artistieke en commerciële successen. Op het podium het Miles Davis Sextet. De meelopende tape, niet bedoeld voor publicatie – en Davis weet van niets -, gaat het archief van Columbia in. Daar blijft het document vijftien jaar liggen.
If I Were a Bell begint met Bill Evans’ intro op een ontstemde piano. En dat op een feest van een platenmaatschappij… Even later valt het geluid van Miles’ gestopte trompet weg. Daarmee blijven de irritaties beperkt, want muzikaal komt het snel op stoom. Het publiek blijft weliswaar met elkaar in gesprek, maar de klank van het applaus suggereert waardering.
Oleo is een compositie van Sonny Rollins. Het stuk – vorm AABA – werd een standard, door talloze muzikanten op de plaat gezet. Ook meerdere malen door Miles Davis: in 1954 (mét Sonny Rollins), op de albums Relaxin’ (1956), 1958 Miles, Friday and Saturday Nights at the Blackhawk (1961) en The Complete Live at the Plugged Nickel (1965). Een kenmerk is de instrumentatie gedurende de eerste chorussen. Het begint met trompet solo (A), daarna trompet/sax/bas (A), vervolgens piano/bas/drums (B) en terug naar trompet/sax/bas (A). Na de expositie, tijdens de eerste trompetsolo, komen we in andere patronen terecht. Pas bij de tweede solist komt alles flink los. Drummer Jimmy Cobb zit de blazers flink achter hun broek. Dat geldt ook voor Straight No Chaser, een stuk in hetzelfde tempo.
My Funny Valentine brengt afkoeling, terugkeer naar rustige ademhaling. Luisterconcentratie vereist vanwege een lager volume. Het tempo is relaxed, en de twee rietblazers soleren niet. (ADHD doet ff niet mee.) Schitterend solowerk van Davis en Evans. Bassist Paul Chambers kleurt zijn geplukte solo met vocale unisono.
Langdurig – verdiend – applaus.
Straight No Chaser. En daar gáán ze nog een keer, in een uptempo. Opvallend: zowel dit stuk, als Oleo, wordt veel sneller genomen dan eerdere, resp. oorspronkelijke versies.
—————————–
‘One of the greatest albums of all time’ – ‘Davis’ Masterpiece’ – ‘One of the most influential albums ever made’ – ‘De beste jazzplaat van de 20e eeuw’ – ‘Arguably Miles’ greatest hit’ – ‘Een keerpunt in de muziekgeschiedenis’ – ‘One of the few authenic milestones in jazz history’ – ‘Davis’ ultieme antwoord op de tijdgeest’ – ‘A landmark in the evolution of jazz -‘The greatest jazz album ever recorded’
Deze onvolledige citatenlijst kan maar op één album van Miles Davis betrekking hebben:
Kind of Blue (2 maart en 22 april 1959, Columbia 30th Street Studio, New York City.)
Er zitten maar enkele maanden tussen The Plaza en Kind of Blue. De bezetting is dezelfde (met één uitzondering). Maar er zijn belangrijke verschillen. De setlist van The Plaza bestaat uit ingespeelde repertoirestukken – de composities van Kind of Blue zijn in meerdere opzichten splinternieuw, en zijn niet of nauwelijks gerepeteerd. The Plaza heeft twee hoge tempo’s, Kind of Blue houdt het bij maximaal ‘medium’.
Freddie Freeloader (Davis)
De opening – in dit programma, níet op de plaat – is een blues. Voor dit stuk had Davis pianist Wynton Kelly in gedachten. Blues?, dan Kelly aan de piano. Modaal?, dan Bill Evans. Beide pianisten, samen in de studio, vonden het best.
Kelly geeft het thema van Freddie Freeloader direct een opkikker. Hij speelt vrolijk en ritmisch aanvullend om de lange tonen van de blazers – een ‘zucht’- heen. Twee, bijna contrasterende uitingen. De ‘afwijkende’ harmonie in de laatste twee maten is een gouden vondst die zich tijdens de solo’s blijft uitbetalen. Na het thema – het einde daarvan geaccentueerd door Cobbs accent op de drieënhalfde tel van de twaalfde maat – gaat Kelly swingend door in de eerste solo.
Davis’ solo creëert een omslag, en vertelt een totaal ander verhaal. Een boeiend verhaal, met een emotioneel geladen toon. Drummer Cobb blijft op de achtergrond. Zijn accenten zijn grotendeels bescheiden van volume, maar op goed gekozen momenten laat ie zich horen.
Na solo’s van tenor, alt en bas zet Davis het thema weer in. Niet op de 1e tel, zoals aan het begin, maar op de voorafgaande 3e. Bijzonder. Maar wat een stuk!
Nou En
En dan So What (Davis), de opening van Kind of Blue. Het bekendste, en meest gecoverde stuk van het album.
Het begint met een piano/bas introductie, zweverig, zoekend, in vrij tempo. Dat kwam uit het brein van Gil Evans! De daarop ingezette vorm is traditioneel: 32 maten AABA, ingevuld met een Call-and-Response, vraag-en-antwoord. Meer eigentijds is de ‘modaliteit’, iets waarmee Davis begon op Milestones uit 1958. Geen akkoordenschema, maar twee toonreeksen (modi). Een op grondtoon D (vormdeel A), de tweede een halve toon hoger (deel B). Ook vrij uniek is de instrumentatie: de bas speelt de melodie, de ‘call’ – de anderen reageren met de ‘response’. Op de twee klanken van die response kun je makkelijk de woorden ‘so what’ invullen. De bas blijft het proberen, maar de reactie blijft ‘nou en’.
De cymbal crash van drummer Jimmy Cobb accentueert het begin van het improvisatiedeel *). Na de solo’s van de drie blazers is de beurt aan pianist Bill Evans. De blazers geven het bekende commentaar met het repeterende, 2-tonige So What-motief – nu in een puntiger ritme, wat heel goed werkt. Ook hier een dialoog: piano/blazers. Maar de piano herhaalt zichzelf niet zoals de bas aan het begin. Hij gaat dóór.
- Deze twee stukken, So What en Freddie Freeloader, track 1 en 2 op de plaat, hebben exact hetzelfde tempo. Meestal wordt dat vermeden. Een andere overeenkomst: in beide thema’s is een dalende grote secunde een leidend motief.
- So What zal enkele jaren later een veel hoger tempo krijgen. Gebeurde vaak met Davis’ repertoirestukken. Een hoger tempo, met een bijbehorend karakterverschil. Luister naar So What op het live album Four & More uit 1964 – een andere bezetting, met die ongelofelijke tiener-drummer Tony Williams. En…?
House of Hard Bop – Eric Ineke
*) Cobb dacht op dat moment dat hij die crash té sterk had aangezet. Bleek wel mee te vallen.
Klik voor uitzending 1 van Miles Davis & John Coltrane Centennial
Klik voor het 1e Nieuwsbericht
Klik voor uitzending 2 van Miles Davis & John Coltrane Centennial
Klik voor het 2e Nieuwsbericht