Componisten/uitvoerenden: Constantijn Huygens | Jan Pieterszoon Sweelinck
Opnametechniek: Joost Kist
Een greep uit het gevarieerde leven van de Gouden Eeuw.
Een hardnekkig misverstand wil dat er in Nederland niks muzikaals te beleven valt, zeker niet in de tijd van de Republiek. Akkoord, we hadden Sweelinck, maar dat is de uitzondering die de regel bevestigt. We waren een land van zuinige regenten en een kerk die elke vorm van pracht en praal als zondig veroordeelde. En áls er al wat klonk, dan kwam dat niet in de buurt van wat er elders in Europa gemaakt werd.
Intussen weten we beter. De Nederlandse muziek van de zeventiende en achttiende eeuw is intussen uitgebreid uitgeplozen en in kaart gebracht, er daar blijkt heel wat waardevols tussen te zitten. Musicoloog Louis Peter Grijp ging nog een flinke stap verder: hij onderzocht niet de ‘kunst’muziek van die tijd, maar de volksmuziek. Duizenden liedbundels zijn er uit die tijd overgeleverd; meestal met alleen de teksten, soms ook met muziek. Door eindeloos onderzoek lukte het hem om ten langen leste bij veel teksten een melodie te vinden.
Dit repertoire, dat door eerdere generaties musicologen en muzikanten als ‘oninteressant’ zou worden afgedaan, werd onder de bezielende handen van Grijp iets heel bijzonders. Met zijn Camerata Trajectina, waarin hijzelf ook luit en citer speelde, voerde hij dit repertoire uit. Nederland maakte na eeuwen weer kennis met de liedcultuur van de Gouden en Zilveren Eeuw. Van de verheven gezangen der grote schrijvers tot ordinaire vieze liedjes, van liedjes over de VOC tot liederen over het geloof, van Friesland tot Brabant, alles wat Grijp en de zijnen hadden weten te vinden kwam aan bod.
Ook dit concert bestrijkt weer de volle breedte van de zeventiende-eeuwse samenleving. In het begin horen we een doopsgezind lied en twee liederen uit het katholieke milieu. Daarna horen we de gezangen die Hooft dichtte op toen zeer populaire buitenlandse melodieën, alsook liederen uit Den Frieschen Lusthof. Ook Sweelinck komt – natuurlijk – aan bod. Er zijn geuzenliederen, er is een pretentieloos kermisliedje.