Opnametechniek: Hans Fischer
Een gids door het interbellum.
Ga ja klassieke muziek spelen, dan komt het niet alleen aan op vingervlugheid en muzikaal gevoel. Om tot de ziel van de muziek te komen, moet je ook een hoop van de muziekgeschiedenis weten. Wanneer is deze muziek gemaakt, tot welke stijl behoort ze, wie was het publiek en welk doel had de componist ermee?
Deze boodschap is aan Joanne Chen niet voorbijgegaan. Ze schotelt ons vier composities voor viool met pianobegeleiding voor, alle vier met een stijl die op zijn eigen manier typisch is voor de tijd. Stravinski is natuurlijk de meester van het neoclassicisme, de ironisch benaderde maar toch ook oprecht gevoelde nostalgie naar de achttiende eeuw. Béla Bartók paarde elementen uit de Hongaarse volksmuziek aan een zeer moderne chromatische stijl – een manier van doen die tegelijk heel negentiende-eeuws en totaal twintigste-eeuws is. Waar we Bartók al (bijna) atonaal kunnen noemen, is dat bij Schönberg niet eens meer de vraag. Hij liep al voor de Eerste Wereldoorlog voorop met atonale muziek, en legde dit na de oorlog vast in het twaalftoonssysteem. Met zijn Fantasie opus 47 horen we een rijp werk in deze stijl.
Eigenlijk omvatte het concert nog een vierde stuk, de Vioolsonate van Ravel. Door een technische fout is dat helaas niet bewaard gebleven.