Genre: Romantiek
Componisten/uitvoerenden: Dmitri Sjostakovitsj | Johannes Brahms | Ludwig van Beethoven
Opnametechniek: Ton Hubregtse
Het pianotrio is een delicaat genre waarin de prachtigste muziek is geschreven. Hier grijp het Osiris Trio twee stukken uit het rijke repertoire.
Lange tijd was het pianotrio vooral amateurmuziek. De piano bepaalde de muzikale gang van zaken, de viool speelde wat melodische hoofdlijnen mee en de cello had vooral (of alleen maar) de bas te verdubbelen. In de negentiende eeuw veranderde dat: toen werd het pianotrio een respectabel genre waarin alle drie de instrumenten volledig tot hun recht kwamen. Viool en cello krijgen vaak dubbelgrepen te spelen, waardoor ze samen bijna als een strijkkwartet klinken.
Het pianotrio was ook een van de eerste genres waar de jonge Brahms zich aan waagde. Dat is geen toeval. In andere genres hadden zijn voorgangers – Beethoven voorop – al zo’n hoog niveau bereikt dat Brahms zich geïntimideerd voelde. Wat had hij nog toe te voegen aan de vioolsonate, of het strijkkwartet, of de symfonie? In het pianotrio voelde hij die druk minder. Al met twintig jaar durfde hij zijn eerste trio te schrijven. Vijfendertig jaar later, op de gevorderde leeftijd van 55, was hij er toch niet zo tevreden over. Hij gaf het stuk een grondige revisie. Deze tweede versie voeren we tegenwoordig meestal uit.
Het Tweede Pianotrio van Sjostakovitsj is een van zijn beroemdste kamermuziekstukken. Het stuk is geschreven in 1943. In zijn kamermuziek had Sjostakovitsj veel meer vrijheid dan in zijn symfonische muziek en opera’s, die door de staat nauwlettend in de gaten werden gehouden. Het trio typeert Sjostakovitsj: het is somber, de muziek balanceert tussen authentiek en ironisch en laat de luisteraar vooral met vragen achter. Beroemd werd dit trio om het gebruik van ‘joodse’ toonladders – een passage die hij later weer citeert in zijn Achtste strijkkwartet. Neemt Sjostakovitsj het hier op voor de joodse slachtoffers van de nazi’s? Of rouwt hij gewoon om zijn vriend Ivan Sollertinski, die dat jaar overleed?
Deze twee stukken hebben één ding gemeen. Allebei gaan ze op een gegeven moment over van majeur naar mineur, iets wat in de klassieke muziek zelden gebeurt. Het droevige einde na een opgewekt begin lijkt te wijzen op een pessimistisch wereldbeeld.