Bachs Kunst der Fuge is zonder meer zijn doorzichtigste, meest rationele werk. Maar juist daardoor ook weer erg raadselachtig.
Honderden fuga’s had Bach geschreven, en bij leven gold hij al als specialist. Niet iedereen vond zijn muziek mooi – voor veel mensen was ze toch te streng en te ouderwets – maar over één ding was men het wel eens: niemand kon fuga’s schrijven zoals Bach. Ook hijzelf zag in dat het na zijn dood weleens achteruit kon gaan met de fuga. Het genre leek in de jaren 1740 een aflopende zaak. Met Die Kunst der Fuge wilde hij zijn zeventiende-eeuwse vakmanschap aan de volgende generatie(s) nalaten.
Er staat in de partituur geen bezetting aangegeven. Musicologen zijn het niet eens wat dat wil zeggen. Misschien is het gewoon voor klavecimbel of piano. Klaviermuziek werd in de zeventiende eeuw wel vaker op vier balken geschreven en de fuga’s zijn allemaal met twee handen te spelen. Maar misschien ook ligt de instrumentatie niet vast. In dat geval mogen de uitvoerenden kiezen. De Amsterdamse Bachsolisten gaan uit van de laatste optie. Zij verdelen de stemmen over hun eigen instrumentalisten. Strijkers, blazers, orgel, het kan allemaal. Zodoende krijgt deze muziek, die toch voor een groot deel dezelfde kleur heeft, wat meer variatie.