Combattimento Consort Amsterdam: Een barok palet
5 november 2006, Kleine zaal Concertgebouw, Amsterdam
Genres: Barok | Orkest
Componisten/uitvoerenden: Antonio Vivaldi | Georg Friedrich Händel | Georg Muffat | Jan Dismas Zelenka | Johann Sebastian Bach | Willem de Fesch
Opnametechniek: Concertgebouw AB
Hoe de barok haar gouden formule vond.
De barokke periode duurde 150 jaar: geschiedenisboeken laten haar meestal beginnen bij 1600 en eindigen in 1750. Dat zijn dus vijf generaties componisten die elkaars muziek vaak al niet kenden en er heel verschillende methodes, waarden en idioom op nahielden. Met andere woorden: er is heus wel wat veranderd in die 150 jaar, ook al was het allemaal barokmuziek.
Maar er is wel een belangrijke tweedeling te maken. In het grootste deel van de zeventiende eeuw zijn componisten nog aan het zoeken. Er wordt druk geëxperimenteerd met vorm en (vooral) inhoud, maar in onze oren lijkt het alsof ze iets missen. Er mist iets aan hun melodieën en harmonieën, en aan de instrumentatie.
Eind zeventiende eeuw komt daar een einde aan, en dat einde is grotendeels toe te schrijven aan het genie van één man: Arcangelo Corelli. Deze Italiaan bedenkt het Concerto Grosso voor strijkorkest. Alles is nieuw – de bezetting met meervoudige strijkers, de akkoordwisselingen, de melodiek – en alles is meteen een hit. Zozeer zelfs dat niet alleen de Italianen maar eigenlijk heel Europa het voorbeeld van Corelli navolgt.
In dit concert (vreemd genoeg) geen Corelli, wel diverse andere componisten. We beginnen bij Georg(e) Muffat, een Duitser aan het hof van Lodewijk XIV. Hij haalde het concert nog vóór 1700 naar Versailles, en had hulp van de plaatselijke traditie: collega Lully gebruikte het orkest toen al voor zijn opera’s.
In de rest van Europa was het langer wachten, maar niet veel langer. Rond 1700 was Oostenrijk al in de ban van de Italiaanse mode. De compositie kwam vaak op de schouders van Bohemers, die zich ontpopten tot hét muziekvolk van het Habsburgse rijk. Jan Dismas Zelenka doet het hier een hele generatie voor. De generatie ook van Bach en Händel.
Händel werkte het Italiaanse voorbeeld uit tot een grote zesdelige compositie, en versmolt daarmee het Italiaanse concert met de Franse suite. Bach componeerde geen concerti grossi, wel vier wereldberoemde orkestsuites. We horen nu de vierde suite in D, maar niet zoals u die kent. De partituur biedt namelijk aanleiding om te denken dat de trompetten in dat stuk later zijn toegevoegd, toen Bach in Leipzig werkte. In een eerdere fase in zijn carrière, in Cöthen of Weimar, zal hij de eerste versie van het stuk hebben geschreven. Die versie zonder trompetten is niet bewaard gebleven, maar valt wel te reconstrueren. Het Combattimento Consort brengt haar hier tot klinken.
Italië zelf is ook vertegewoordigd, en wel met Antonio Vivaldi. Waar Händel de veerdelige concertvorm tot een zesdelige uitbouwde, maakte Vivaldi er een strakke driedelige van. Vivaldi werkt met dit beknopte concert wereldberoemd, maar raakte na zijn dood in de vergetelheid. Mozart, Beethoven, Mendelssohn – hoogstwaarschijnlijk hebben ze nooit van Vivaldi gehoord. En toch zitten ze allemaal onder zijn invloed, want allemaal vonden ze de driedelige concertvorm vanzelfsprekend.
Tot slot is er nog een kleine toegift van een Nederlandse componist, Willem de Fesch. Hij kwam in Nederland niet aan de bak, maar in Londen, waar mensen altijd meer muziek in de stijl van Händel wilden horen, had hij werkzekerheid. De laatste decennia klinkt zijn muziek ook vaker in Nederland.