Hoe geniaal hij ook was, Bach kwam niet uit de lucht vallen. Wie wil weten waar Bach vandaan kwam, moet zeker Heinrich Schütz kennen.
Heinrich Schütz (1585-1672) kwam uit een ander sociaal milieu dan Bach, maar uit dezelfde streek. Het orthodox-lutheraanse midden van Duitsland, waar de Wartburg stond en Luther zelf zijn stellingen op de muur had gespijkerd. Daar leefden componisten met de liturgie en daar had iedere noot theologische betekenis.
We schrijven begin zeventiende eeuw. In Italië komt de barokmuziek op en via het katholieke zuiden bereikt deze muziek nu ook de streken van Schütz. Wat nu? Moeten wij lutheranen maar resoluut nee zeggen tegen die paapse nieuwlichterij? Of kunnen we de nieuwe mode voor het hogere doel gebruiken? Schütz besluit het laatste te proberen. Met uiteindelijk de zegen van de kerk sleept hij de lutheraanse muziek de nieuwe eeuw in. Het oude motet wordt omgeturnd tot een kerkelijke cantate. Schütz’ werken staan daarmee aan het begin van een traditie die uiteindelijk tot de gevierde meesterwerken van Bach zal leiden.