spinner

De Joodse Renaissance

za 2 mei 2009

Op 9 mei nog een kans om te luisteren naar deel 5 van Oorgetuige: ‘Alles ter nagedachtenis aan jou…’, ons programma over Russische muziek van de twintigste eeuw.
Issachar Ryback (1897-1935), Kletzmer-muzikanten (1917), pentekening Ryback Museum Bat-Yam
In het Russische keizerrijk leefden aan het begin van de twintigste eeuw zo’n vijf miljoen joden, de helft van het jodendom wereldwijd. Uitzonderingen daargelaten mochten zij zich sinds 1791 alleen vestigen in een gebied in het voormalige Pools-Litouwse Gemenebest achter de Tsjertá osjédlosti, de lijn van vestiging. Antisemitisme is in Oost-Europa vanouds virulent en dat werd alleen maar erger. In 1902 woedde in Kisjinóv, de tegenwoordige Moldavische hoofdstad Chisinau, een grootschalige pogrom tegen vermeende ‘anti-tsaristische’ joden waarbij tientallen doden vielen. Het woord ‘pogrom’ is afgeleid van het werkwoord ‘gromítj’, vernietigen. “Vervloekte stad Kisjinov, de tong zal nooit moe worden om jou te vervloeken!”, schreef Aleksandr Poesjkin, wegens duelleren hiernaartoe verbannen van 1820 tot 1823, het jaar dat hij begon aan zijn roman in verzen ‘Jevgeni Onjegin’.
Na de revolutie van 1905 versoepelde het vestigingsbeleid waardoor een joodse renaissance kon plaatsvinden. Na eerdere weigeringen van de gouverneur (“Zoiets als joodse muziek bestaat niet”) mocht in 1908 in Sint-Petersburg onder aanvoering van Joeli Engel en Michajl Gnesin het Genootschap voor Joodse Volksmuziek worden opgericht. De gouverneur: “Inderdaad, ik kan me herinneren dat ik eens een joods liedje heb gehoord in Odessa.” Zonder repressie kunnen duizend bloemen bloeien, en bij dit genootschap waren dat componisten zoals Aleksandr Krein, Leiba Zeilin, Lazar Saminski en Josef Achron, die in 1911 zijn beroemde ‘Hebreeuwse Melodie’ componeerde die door klasgenootje Jasja Heifetz in première werd gebracht, en op de plaat werd gezet.
‘Alles ter nagedachtenis aan jou’
Deze dichtregel van Aleksandr Poesjkin uit 1825 gaf dichteres Anna Achmátova als motto mee aan haar Noordelijke Elegieën, een gedichtencyclus die ze schreef in een van de zwartste perioden van haar land en haar leven, tussen 1940 en 1955. We zitten daarmee ineens in het hart van Rusland in de twintigste eeuw, in de Sovjet-Unie tijdens de Grote Vaderlandse Oorlog; en met deze twee grote Russische dichters proberen we ook de ziel van Rusland te naderen. Want, zoals Aleksandr Herzen zei na lezing van Gogols Dode Zielen: “De Russische ziel had in potentie veel te bieden.”
Oorgetuige, zaterdag 9 mei, 13.00 – 14.30, ‘Alles ter nagedachtenis aan jou…’ Deel 5: De Joodse Renaissance

Hebt u delen gemist? Luister On Demand!
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4