spinner

Long read: Rachmaninov in beeld

wo 13 feb 2019
Thema: Klassiek
Componist: Sergei Rachmaninov

door Thijs Bonger

Toteninsel, Arnold Böcklin (1827–1901

Op dinsdagavond 19 maart tussen 20 en 21 uur zendt de Concertzender de tweede aflevering uit van ‘Rachmaninov in beeld’. In twee afleveringen gaat samensteller en presentator Thijs Bonger in op Rachmaninovs Études-Tableaux van Rachmaninov. De eerste aflevering van Rachmaninov in Beeld kunt u hier terug luisteren. Lees hieronder alvast een toelichting op deze bijzondere pianominiaturen.

Sergei Rachmaninov schreef twee reeksen etudes: opus 33 (1911) en opus 39 (1916-1917). Hij noemde ze Études-Tableaux, omdat hij tijdens het componeren een paar schilderijen in het achterhoofd had. In dit artikel vertel ik iets over de ontstaansgeschiedenis en geef ik een toelichting op een selectie uit beide reeksen. En tot slot krijgt u van mij een paar aanbevelingen van opnamen.

Virtuoos smachten: Rachmaninovs opus 33.
De publicatie van de eerste reeks, op. 33, is nogal chaotisch verlopen. Oorspronkelijk zou het gaan om negen stukken, maar vlak na de deadline van de uitgever trok Rachmaninov er plotseling drie terug. We weten niet waarom. De uitgever wist zich geen raad omdat hij de titelpagina al afhad en die niet meer kon veranderen. Van de etudes die Rachmaninov had teruggetrokken kwam nummer vier uiteindelijk terecht in de tweede reeks, op. 39. Ditmaal als nummer zes, de hieronder genoemde Roodkapje-etude. Nummer drie gebruikte hij tien jaar later gedeeltelijk in zijn 4e pianoconcert. Vijf jaar na Rachmaninovs dood in 1943 werden in de Sovjet-Unie alsnog alle etudes uitgegeven, met dien verstande dat nummer vier ontbreekt.

Nummer één uit op. 33 begint als een gezwinde, zelfverzekerde, maar nogal barse mars, en wordt na een tijdje een paar keer aarzelend onderbroken door een episode met een soort magische nostalgie, een specialiteit van Rachmaninov. Nummer twee zit barstensvol hunkering, maar blijft toch elegant en licht. Nummer drie opent uiterst zwartgallig maar werkt zichzelf geleidelijk uit de diepe kuil naar boven tot er op het laatst toch nog een zonnetje tevoorschijn komt. Na de aarzelende en een beetje geheimzinnige nummer vijf, die heel verwarrend ook wel eens wordt aangeduid als nummer vier, – elk geval staat hij in d klein – volgt de zesde etude in de buitenissige toonsoort es klein. Dat is voor mij de meest spetterende en briljante uit de reeks. Dit korte, supervituoze stuk laat de pianist alle hoeken van de kamer zien. Door het desoriënterende karakter kreeg hij de bijnaam ‘sneeuwstorm’. Nummer acht, in g klein, heeft zich weer volgezogen met heimwee.

Opus 39
De Études-tableaux op. 39 zijn de laatste composities die Rachmaninov schreef voor hij in 1917 het revolutionaire Rusland ontvluchtte. Ze verschillen nogal van alles wat hij daarvoor had geschreven. Je kunt erin horen dat hij goed had geluisterd naar de late muziek van zijn vriend Skrjabin. En hij heeft zich ook enigszins laten beïnvloeden door de revolutionaire muzikale taal van Prokofjev. Rachmaninov noemde de stukken Études-tableaux omdat hij tijdens het componeren een paar schilderijen voor ogen had. In eerste instantie weigerde hij te onthullen om welke schilderijen het ging. Hij zei daarover: ‘Ik geloof niet zo in de kunstenaar die teveel prijsgeeft over de beelden die hij voor ogen had. Laat de luisteraars zelf maar schilderen’. Maar toen de Italiaanse componist Ottorino Respighi in 1930 enkele van de etudes voor orkest ging bewerken was hij bereid om er wat meer over los te laten. Het ging om sombere doeken van de Zwitser Arnold Böcklin. De tweede reeks etudes, op. 39, is technisch nog veeleisender dan de eerste, op. 33. IJzersterke vingers en extreem grote handen heb je eigenlijk nodig als pianist. Net als Rachmaninov zelf. De etudes op. 39 zijn – nog meer dan op. 33 – overwegend melancholisch van karakter. Dat laatste is ook niet zo gek als je leest wat er zich in 1915 en 1916 allemaal afspeelde in Rachmaninovs naaste omgeving. Kort na elkaar overleden plotseling zijn studievriend en collega-pianist Skrjabin, zijn geliefde conservatoriumleraar Tanejev en zijn vader.

Nummer één uit de reeks op. 39 doet denken aan iemand die zenuwachtig naar iets op zoek is en dat maar niet vindt. Flarden van het middeleeuwse Dies Irae thema, dat staat voor de dood, duiken soms op in etude nummer twee. Rachmaninov was blijkbaar gefascineerd door dat thema want hij heeft het vaker gebruikt, o.a. in zijn Paganini-variaties en Toteninsel, geïnspireerd door bijgaand schilderij van Böcklin. Deze tweede etude roept door het monotone karakter ook beelden op van de zee met meeuwen. De eerste paar maten zijn zo intens treurig dat je hart ervan samenknijpt. Nummer drie is wel wat levendiger maar toch ook verre van vrolijk. De vierde etude is ingetogen en redelijk opgewekt. Nummer vijf is waanzinnig virtuoos en klinkt majestueus, gepassioneerd, rusteloos en naar het einde toe dieptreurig. Pianolegende Svjatoslav Richter weigerde deze etude uit te voeren omdat hij zich tijdens het spelen ‘emotioneel naakt’ voelde. Nummer zes verklankt volgens Rachmaninov zelf het sprookje van Roodkapje. Je hoort de wolf grommen en herhaaldelijk naar haar happen. En in de snelle lichtvoetige passages ertussendoor horen we het meisje rennen voor haar leven. Rachmaninov gunt Roodkapje geen happy end. De etude eindigt met een forse hap van de wolf. Over nummer zeven, de langste uit de reeks, zei Rachmaninov: ‘Het is een klankschildering van eindeloos vallende motregen waar je wanhopig van wordt’. Onder die omstandigheden had hij de begrafenis van zijn vriend Skrjabin bijgewoond. In deze etude – een begrafenismars – kunnen we ook horen dat Rachmaninov gefascineerd was door kerkklokken. Nummer acht biedt wat soelaas in de vorm van tederheid en lyriek en de reeks sluit af met een briljant stuk vol bravoure.

Opnamen
Om deze Études-tableaux uit te voeren moet je niet alleen waanzinnig virtuoos zijn, maar ook zeer evocatief kunnen spelen. Want deze stukken roepen allerlei beelden op en zijn dus echte klankschilderingen. Een mooie, wat oudere, maar nog zeer goed klinkende opname is van Vladimir Ashkenazy op Decca. Op het label Challenge Classics verscheen een in 1992 opgenomen versie door Rachmaninov specialist Nikolai Lugansky. Deze opname is heruitgebracht door het budgetlabel Brilliant Classics en gecombineerd met de Preludes. Hij treft feilloos het Slavische heimweekarakter. Op een ander budgetlabel, Regis, speelt Svjatoslav Richter op onnavolgbare wijze een selectie uit beide reeksen. Recentere opnamen zijn verschenen op het budgetlabel Naxos. Elisabeth Concourswinnaar Boris Giltburg combineert ze met andere werken van Rachmaninov en verdeelt ze over twee cd’s. Hij dringt op zijn schitterend klinkende Fazioli-vleugel diep in deze stukken door. Iemand die ook zeer goed uit de voeten kan met Rachmaninovs etudes is de Frans-Amerikaanse pianist Nicholas Angelich op Harmonia Mundi. Het Britse kwaliteitslabel Hyperion heeft twee versies. In 1983 nam Howard Shelley ze op. Een diep doorvoelde, schitterende opname van deze nog steeds wat onderschatte pianist/dirigent, die zo ongelooflijk veel onbekend repertoire voor ons heeft ontsloten. En vorig jaar verscheen er op hetzelfde label een minstens even boeiende opname van de Schotse pianist Steven Osborne. Dus keus genoeg.

Het is ook de moeite waard om eens te luisteren naar wat Respighi ervan heeft gemaakt. In zijn bewerking is er door alle verschillende instrumenten natuurlijk nog veel meer sprake van kleuring. Zoals ik al aanstipte orkestreerde hij er vijf. Die zijn op cd gezet door het Cincinnati Symphony Orchestra o.l.v. Jesús López-Cobos voor het label Telarc.