spinner

Thema

za 9 mei 2009 16:00 uur

Oorgetuige #5: De Joodse Renaissance. ‘Alles ter nagedachtenis aan jou…’, onze serie over Russische muziek van de twintigste eeuw.
Sinds de achttiende eeuw mochten joden in Rusland alleen wonen in een gebied in het westen, achter de Tsjertá osjédlosti, de lijn van vestiging. Na de revolutie van 1905 versoepelde het vestigingsbeleid waardoor een joodse renaissance kon plaatsvinden. In Petersburg werd in 1908 het Genootschap voor Joodse Volksmuziek opgericht, waar veel jong talent tot bloei kon komen. Met werken van Joeli Engel, Leiba Zeitlin, Lazar Saminski, Aleksandr Krejn, Sergej Prokofjev en Josif Achron.

‚ÄėAlles ter nagedachtenis aan jou‚Äô. Deze dichtregel van Aleksandr Poesjkin uit 1825 gaf dichteres Anna Achm√°tova als motto mee aan haar Noordelijke Elegie√ęn, een gedichtencyclus die ze schreef in een van de zwartste perioden van haar land en haar leven, tussen 1940 en 1955. We zitten daarmee ineens in het hart van Rusland in de twintigste eeuw, in de Sovjet-Unie tijdens de Grote Vaderlandse Oorlog; en met deze twee grote Russische dichters proberen we ook de ziel van Rusland te naderen.
 
Russische muziek van de twintigste eeuw, deel 5: de Joodse Renaissance. In het Russische keizerrijk leefden aan het begin van de twintigste eeuw zo‚Äôn vijf miljoen joden, de helft van het jodendom wereldwijd. Uitzonderingen daargelaten mochten zij zich sinds 1791 alleen vestigen in een gebied in het voormalige Pools-Litouwse Gemenebest achter de Tsjert√° osj√©dlosti, de lijn van vestiging. Antisemitisme is in Oost-Europa vanouds virulent en dat werd alleen maar erger. In 1902 woedde in Kisjin√≥v, de tegenwoordige Moldavische hoofdstad Chisinau, een grootschalige pogrom tegen vermeende ‚Äėanti-tsaristische‚Äô joden waarbij tientallen doden vielen. Het woord ‚Äėpogrom‚Äô is afgeleid van het werkwoord grom√≠t, vernietigen. ‚ÄúVervloekte stad Kisjinov, de tong zal nooit moe worden om jou te beschimpen!‚ÄĚ, schreef Aleksandr Poesjkin, wegens duelleren hiernaartoe verbannen van 1820 tot 1823, het jaar dat hij begon aan zijn roman in verzen Jevgeni Onjegin.
 
Na de revolutie van 1905 versoepelde het vestigingsbeleid waardoor een joodse renaissance kon plaatsvinden. Na eerdere weigeringen van de gouverneur (‚ÄúZoiets als joodse muziek bestaat niet‚ÄĚ) mocht in 1908 in Sint-Petersburg het Genootschap voor Joodse Volksmuziek worden opgericht. De gouverneur: ‚ÄúInderdaad, ik kan me herinneren dat ik eens een joods liedje heb gehoord in Odessa.‚ÄĚ Zonder repressie kunnen duizend bloemen bloeien.
 

Joeli Engel (1868-1927)
1. Habad Niggun, opus 20/1.
Leiba Morduchovitsj Zeitlin (1868-1930)
2. Eli Zion voor cello en piano (1914).
Uri Vardi, cello, Uriel Tsachor, piano.
Beth Hatefutsoth BTR 9801
Lazar Josifovitsj Saminski (1882-1959).
3. Rituele sabbatdans,
4. Hebreeuws sprookje,
5. Visions (1919).
Jascha Nemtsov, piano.
EDA 012-2 en 014-2
Aleksandr Abramovitsj Krejn (1883-1951).
6. Een traan van Modest Moesorgski, bewerkt voor cello, viool en piano.
Uri Vardi, cello, Hagai Tshaham, viool, en Uriel Tsachor, piano.
7. Lyrisch Fragment opus 1, voor vier celli (1903).
Cellisten Uri Vardi, Amit Peled, Maya Blumenfeld en Michey Katz.
Beth Hatefutsoth BTR 9801
Sergej Sergejevitsj Prokofjev (1890-1953).
8. Ouverture op joodse thema’s, opus 34, voor klarinet, strijkkwartet en piano (1919).
Anton Dressler, klarinet, Julia Zilberquit, piano en het Glinka Kwartet.
Le Chant du Monde RUS 288166
Josif Isidor Achron (1886-1943).
9. De Golem, suite voor kamerorkest (1932).
Tsjechisch Filharmonisch Orkest o.l.v. Gerard Schwarz.
10. Vioolconcert nr. 1, opus 60 (1925).
Elmar Oliveira, viool, en het Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin o.l.v. Joseph Silverstein.
Naxos / Milken Archive 8.559408

Samenstelling: