spinner

Thema

Oorgetuige #24: De cellisten (1).
De Russische celloschool staat centraal in de 24ste aflevering van Oorgetuige, ‘Alles ter nagedachtenis aan jou…’, onze serie over Russische muziek van de twintigste eeuw.

Wilhelm Fitzenhagen, geboren in 1848, maakte al op 17-jarige leeftijd in het Duitse Brunswijk furore als cellist. Op 22-jarige leeftijd was zijn optreden op het Beethoven Festival in Weimar reden voor Franz Liszt om hem uit te nodigen voor het groothertogelijk orkest. Maar Fitzenhagen had al een uitnodiging geaccepteerd van Nikolaj Rubinstein om aan het nieuwe Moskouse conservatorium de cello-opleiding op te zetten. Hier raakte hij ook bevriend met Pjotr Tsjajkovski, die zijn Rococo-variaties aan hem opdroeg. Tot ontsteltenis van de componist gooide hij de variaties om en schreef een nieuwe finale. Zo zou het werk gespeeld worden totdat Svjatosláv Knoesjevítski in 1956 de oorspronkelijke versie in ere herstelde.
Een van Fitzenhagens meest getalenteerde leerlingen was Anatoli Brándoekov, die op achtjarige leeftijd al werd toegelaten en naast cello ook compositie volgde bij Tsjajkovski. In 1877 studeerde Brandoekov af met de zeldzame gouden medaille. Op rondreis door Europa vestigde hij daarna zijn naam en raakte bevriend met Russische ‘westerlingen’ in Parijs zoals de schrijver Ivan Toergénjev. Sergej Rachmaninov droeg zijn wonderschone Cellosonate opus 19 aan hem op. Tsjajkovski wilde hem al in 1890 naar het conservatorium halen, maar directeur Vasili Safónov vond hem nog te jong. Dat moest wachten tot na de Revolutie, tot 1921.
DavydovDe andere slagader van de Russische celloschool liep natuurlijk via Petersburg, waar Nikolajs broer Anton Rubinstein in 1862 het wonderkind Karl Davýdov als docent aantrok. Davýdov, geboren in het Letse Koeldiga, was na zijn Moskouse opleiding en veertienjarig debuut naar Leipzig gegaan. In Petersburg werd hij medegrondlegger van de Russische celloschool en groeide als solist ‘van Zijne Keizerlijke Hoogheid’ uit tot de ‘tsaar aller cellisten van onze tijd’, aldus Tsjajkovski, die zijn Capriccio Italien aan hem opdroeg. Daniel Sjafran speelt met het Staatssymfonieorkest onder leiding van Jevgéni Mravínski het Tweede Celloconcert in a klein, opus 14, van Karl Davydov.
Davydov was een kwart eeuw docent en de laatste tien jaar ook directeur van het conservatorium van Petersburg. Ilja Repin, portret van Aleksandr VersjbilovitsjUit zijn celloschool komen mensen als Julius Klengel, Emil Hegar, Alfred von Glen, Aleksandr Verzjbílovitsj en Ivan Seifert, en hun leerlingen Semjon Kozolóepov en Leopold Rostropovitsj.
Ilja Repin, portret van Aleksandr Verzjbilovitsj, Russisch Staatsmuseum Petersburg.
In 1888 keerde Davydov terug naar Moskou, waar hij een jaar later overleed. Componist Anton Arenski componeerde ter nagedachtenis aan ‘de tsaar aller cellisten’ het Pianotrio in d klein, dat hij op wascylinders zette met Brandoekov en violist Jan Hrimaly.
Semjon Kozolóepov was aan het Petersburgs Conservatorium de leerling van Verzjbílovitsj en Seifert, net zoals Leopold Rostropovitsj, de vader van Mstislav. Met dertig jaar werd hij docent aan het conservatorium van Moskou, en dat bleef hij tot zijn dood in 1961. Met zijn vrouw, de pianiste Nadezjda Fedotova, had hij naast celliste Galina nog twee dochters, pianiste Irina en violiste Marina. Een van Kozoloepovs beroemdste leerlingen is Svjatosláv Knóesjevitski, die samen met pianist Lev Oborin de Eerste Cellosonate in D opus 12 uit 1911 van Nikolaj Mjaskovski speelt.
De cellovirtuoos Alfred von Glen, een andere leerling van Karl Davydov, vierde successen in alle Europese hoofdsteden voordat hij in 1890 inging op een uitnodiging van Vasili Safonov om docent te worden aan het Moskouse conservatorium. Een van zijn bekendste leerlingen was de cellist van het Amerikaanse ‘Million Dollar Trio’, dat naast Jasja Heifetz en Artur Rubinstein bestond uit de PjatigorskiOekraïense cellist Gregor Pjatigorski. Als werkstudent in revolutietijd verdiende Pjatigorski zijn brood met optredens in kroegen, met vijftien was hij aanvoerder in het Bolsjoj-orkest, in 1921 ontvluchtte hij op achttienjarige leeftijd Rusland. Zijn cellokist ving de kogels aan de Poolse grens op, met de cello erin… In Leipzig en Berlijn studeerde hij verder, onder meer bij Julius Klengel. In Berlijn trok zijn kroegspel de aandacht van Wilhelm Furtwängler, die hem in 1924 aanvoerder maakte van de cellisten van het Berliner Philharmoniker. Toen hij soleerde in ‘Don Quichote’ van Richard Strauss, verzuchtte de componist dat hij nu pas hoorde wat hij altijd had willen zeggen.
Pjatigorski verwierf wereldfaam met zijn eerste Amerikaanse tournee in 1929, onder meer bij het New York Philharmonic onder Willem Mengelberg. Pjatigorski, letterlijk Vijf Bergen, had een broer die ook cello speelde en zichzelf Stogorski noemde, Honderd Bergen. Gregor zal aan het langste eind getrokken hebben, zeker na zijn huwelijk in 1937 met bankiersdochter Jacqueline de Rothschild, wat zoveel betekent als Gouden Bergen. Componisten als Prokofjev, Hindemith en Walton droegen werk aan hem op, en Igor Stravinski distilleerde in 1932 voor hem de Suite Italienne uit zijn Pulcinella-balletmuziek. Jasja Heifetz bewerkte de pianopartij voor viool, zodat ze weer samen konden spelen.
Wilhelm Fjodorovitsj Fitzenhagen (1848-1890).
1. Elegie opus 21.
2. Capriccio opus 40
3. Impromptu opus 43.
Jens Peter Maintz, cello. Paul Rivinius, piano.
OEHMS Classics OC 702
Anatoli Andrejevitsj Brandoekov (1858-1930).
4. Nocturne
5. Mazurka.
Jens Peter Maintz, cello. Litouws Kamerorkest olv. David Geringas.
Sony BMG Esprit 82876888052
Karl Joeljevitsj Davydov (1838-1889).
6. Celloconcert nr. 2 in a, opus 14 (opname 1.1.1949).
Daniel Sjafran, cello en het Staatssymfonieorkest olv. Jevgeni Mravinski.
Brilliant Classics 93096.
Anton Stepanovitsj Arenski (1861-1906).
7. Pianotrio nr. 1 opus 32 in d, ter nagedachtenis aan Karl Davydov: 1. Allegro moderato. 2. Scherzo: Allegro molto. 3. Elegie: Adagio, 4. Finale: Allegro non troppo.
Borodin Trio: Rostislav Doebinski, viool. Joeli Toerovski, cello. Ljoeba Jedlina, piano.
Chandos CHAN 10184 X
Nikolaj Jakovlevitsj Mjaskovski (1881-1950).
8. Cellosonate nr. 1 in D, opus 12 (1911): Adagio – Andante – Allegro Passionate – Adagio (opname 1952).
Svjatoslav Knoesjevitski, cello. Lev Oborin, piano.
Brilliant Classics 8924
Igor Fjodorovitsj Stravinski (1881-1971).
9. Suite Italienne voor cello en piano (1932), in de bewerking voor cello en viool van Pjatigorski en Heifetz.
Gregor Pjatigorski, cello. Jasja Heifetz, viool.
RCA BMG BVCC 37126
Met dank aan Dmitri Ferschtman.

Samenstelling: