spinner

Thema

Oorgetuige #25: Het nomadenkamp (3): Vitebsk.
In de 25ste aflevering van Oorgetuige volgen we langs de oudste spoorlijn van Rusland het nomadenkamp naar Vitebsk, de stad van Marc Chagall waar na de Revolutie een fantastische korte opleving was van artistieke ideeën en vernieuwingen.

Mark Chagall, De groene violist (1923/24). Olieverf op doek, 198 x 108.6 cm. The Solomon R. Guggenheim Museum, New York, NY, USA. 
Leo Ornstein werd geboren in Krementsjóek in de Centraal-Oekraïense provincie Póltava, halverwege Kiev en Odessa. Poltava was ook de geboortegrond van schrijver Nikolaj Gógol, volkscommissaris Anatoli Loenatsjárski en satiricus Michajl Zosjtsjénko. Met een nieuwe spoorbrug over de Dnjepr werd Krementsjoek in 1873 aangesloten op de eerste spoorlijn van Rusland, de lijn Petersburg-Odessa. Gelegen ten westen van de ‘lijn van vestiging’ waren Krementsjoek en Odessa belangrijke joodse steden en daarmee de locatie van wrede pogroms; Revolutie en Burgeroorlog brachten daar aanvankelijk weinig verandering in. De familie Ornstein was al in 1911 naar Amerika gevlucht. Leo Ornstein maakte in de VS vooral furore als virtuoos pianist en afficheerde zich aanvankelijk ook graag als Russisch wonderkind. Hij stopte daar in 1918 vanwege de ‘Red Scare’ abrupt mee en wierp zich op als kampioen van Amerikaanse muziek, net zoals Leonard Bernstein later zou doen.
Het spoor uit Petersburg was in eerste aanzet niet meer dan een keizerlijk lijntje naar Tsárskoje Sélo, vijfentwintig kilometer verderop. Toen de lijn het Europese continent volledig van noord naar zuid doorkruiste, was knooppunt Vitebsk zuidwaarts de eerste grote stad ten westen van de lijn van vestiging. Vandaar dat het oudste station van Rusland in Petersburg, uit 1837, nog steeds Vitebski heet. Een lokale ‘joodse primitivist’, Marc Chagall, nam na de revolutie het initiatief om in deze ‘stad van de zwevende joden’ een kunstacademie te starten ter ‘verlichting en verheffing van het bevrijde proletariaat’. Hij kreeg daartoe de volmacht van Volkscommissaris Anatoli Loenatsjarski. De feestelijke uitdossing van Vitebsk bij de eerste verjaardag van de Oktoberrevolutie werd een trendsetter voor de hele nieuwe Sovjet-Unie. Een van de belangrijkste vormgevers was El Lissitzky.
Malevitsj Violist kleinAangetrokken door de ruimte voor artistiek experiment kwam Suprematist Kazimir Malevitsj in 1919 naar Vitebsk om Chagall te vervangen als directeur van de Volksschool voor Praktische Kunst. Chagall kwam via Moskou en Berlijn, als zoveel Russische avantgardisten, in Parijs terecht.
Het joodse kunstbolwerk bleef prettig in de luwte van de Burgeroorlog, kende ook niet in dezelfde mate de schaarste en hongersnood van de hoofdsteden en was daarom een gewild toevluchtsoord. Ook voor de musici en acteurs van het Petrograds Joods Kamertheater, onder wie violist en componist Joseph Achron. Dirigent Nikolaj Malko kwam naar Vitebsk om een conservatorium en een symfonieorkest op te richten. Ook van muzikale grootheden als pianiste Maria Joedina en Ivan Sollertinski, in Vitebsk geboren, zullen we in komende afleveringen meer horen.
Kazimir Malevitsj, Koe en viool (1912-1913), lithografie, MoMa New York.
Vitebsk was ook de geboorteplaats van de beroemde jiddische schrijver Solomon Rappoport, beter bekend als S. An-ski. Samen met zijn vriend, componist Joel Engel, tekende An-ski in 1912 op een zwerftocht uit de mond van een herbergierster het verhaal op van de Dybbuk, een rusteloos dolende ziel op zoek naar een lichaam. Engel schreef toneelmuziek bij An-ski’s stuk, dat over de gehele wereld populair werd en navolging vond. Later werkte hij dat om in de Suite van de Dybbuk-legende opus 35. 
Het toneelstuk van An-Ski met de muziek van Joel Engel werd in 1929 in New York opgevoerd. In het publiek bevond zich Aaron Copland, van huis uit kind van Pools-Litouwse immigranten (de familie Kaplan). Hij was zo onder de indruk dat hij Engels muziek als basis nam voor een van zijn weinige composities op een joods thema, het ‘Vitebsk’ Pianotrio uit 1929.
Een man die zijn joodse afkomst nooit verloochende, al werd hij geboren in New York, was Leonard Bernstein. Vader Bernstein ontvluchtte de sjtetl Berezdov in de Oekraïense provincie Wolynië, halverwege Kiev en Rovno. De familie van moeder Jenny kwam uit Sjepetovka, tegenwoordig net over de Poolse grens. Vader Bernstein nam de kleine ‘Lenny’ in 1932 mee naar een recital van Sergej Rachmaninov in Boston, en daarna was het ondanks alle weerstand van vader tegen ‘klezmer-aspiraties’ duidelijk wat Leonard wilde worden: dirigent, met Sergej Koesevitski als zijn mentor in Tanglewood; en componist, mede op aansporing van Aaron Copland. The West Side Story zou wellicht nooit geschreven zijn als Bernstein direct de rechten had verworven op Dybbuk. Zoals het gegaan is, componeerde hij er in 1974 zijn balletmuziek bij. 
Lazar Saminski was via Georgië, Frankrijk en Engeland in Amerika gearriveerd, waar hij zijn activiteiten als componist, dirigent en organisator onvermoeibaar voortzette. In 1924 werd hij muzikaal directeur van de tempel Emanu-El in New York en verstrekte opdrachten voor composities aan lotgenoten Joseph Achron en Isidor Frid. Ook zelf componeerde hij liturgisch werk, zoals het opera-ballet Het Visioen van Ariël uit 1916.
Als solist bij de privéopera van spoorwegmagnaat Savva Mamontov had de bas Fjodor Sjaljapin eind negentiende eeuw al kennisgemaakt met Sergej Rachmaninov, die hier assistent-dirigent was. Samen studeerden zij Sjaljapins rol in van Boris Godoenov, waarmee de zanger in Parijs wereldberoemd werd. Het Russische lied was voor hem van alle liedkunst het genre dat de ‘wereldziel’ het dichtst naderde, en uit dat corpus het trieste lied ‘Ach jij, Vanjka’ wel het meest. Fjodor Sjaljapin zingt het lied ‘Ach jij, Vanjka’ in een opname uit 1922, precies zoals hij het in Amerika voorzong aan Rachmaninov. Sinds diens vlucht in 1917 met gezin per arreslee naar Helsinki was hij niet meer aan componeren toegekomen en had zijn brood verdiend als pianist. Het hernieuwde contact met de ‘wereldziel’ resulteerde in de Drie Russische Volksliederen, opus 41, die in maart 1927 in première gingen bij het Philadelphia Orchestra onder Leopold Stokowski, aan wie Rachmaninov zijn eerste publiekslieveling in ballingschap opdroeg. 
Leo Ornstein (1893-2002).
1. Negen Arabesken opus 42 (1921): Het eiland Elephantine – Primal Echo – Chant of Hindoo Priests – Shadowed Waters – A Melancholy Landscape – Pompeian Fresco – Passion – Les Basoches – The Wailing and Raging Wind.
Marc-André Hamelin, piano.
Hyperion CDA7320.
2. Pianosonate nr. 4 (1924): Moderato Con Moto –Semplice – Lento – Vivo.
Janice Weber, piano.
Naxos 8.559104.
3. Joseph Achron (1886-1943).
Slaapliedje, opus 1 (1893).
Uri Vardi, cello. Uriel Tsachor, piano.
De St. Petersburg School. BTR 9801
4. Joel Engel (1868-1927).
Freilechs, opus 20 nr. 2.
Ingolf Turban, viool. Jasja Nemtsov, piano.
SWR/Hänssler CD 93.028.
5. Aaron Copland (1900-1990).
Vitebsk (Studie op een joods thema, 1929).
Trio Amadé: Felicia Moye, viool. Emilio Colón, cello. Heather Coltman, piano.
Klavier K 11134.
6. Leonard Bernstein (1918-1990).
Dybbuk, suite uit de balletmuziek (1974): Invocatie en trance – Gelofte – Kabbala – Bezeten – Pas de deux – Exorcisme. 
New York Philharmonic olv. Leonard Bernstein. Paul Sperry, tenor. Bruce Fifer, bas-bariton.
DGG 289 463 262-2.
7. Lazar Josifovitsj Saminski (1882-1959).
Het visioen van Ariël (1916), derde scene (fragmenten).
Alberto Mizrahi, tenor. Coral Carmina en het Nationaal Orkest van Catalonië olv. Jorge Mester.
Milken Archive/NAXOS 8.559439.
8. Ach jij, Vanjka (opname uit 1922).
Fjodor Sjaljapin, bas.
Rossija i Fjodor Ivanovitsj Sjaljapin. RCD16003.
9. Sergej Rachmaninov (1873-1943).
Drie Russische liederen, opus 41 (1927): Over de rivier, de snelle rivier – Ach jij, Vanjka – U, met die blosjes op uw blank gelaat.
Russisch Staatssymfoniekoor en -orkest olv. Valeri Poljanski. 
Chandos CHAN 9665.
Met dank aan Anna Ferschtman, Dimitri Tischenko en Craig Urquhart (Senior Consultant, The Leonard Bernstein Office, Inc).

Samenstelling: