spinner

Thema

Oorgetuige #27: De vegetarische jaren. ‘Alles ter nagedachtenis aan jou…’, onze serie over de Russische muziek van de twintigste eeuw, die vandaag gewijd is aan de vegetarische jaren. Zo noemde dichteres Anna Achmátova de periode na de revolutie die voorafging aan Stalins Grote Terreur vanaf 1933; “daarna begon een langdurig verblijf ‘onder de vleugels van de dood’.” ‘Ik ben destijds bij mijn volk gebleven, / Daar waar zich mijn volk, helaas, bevond’, schreef zij later boven haar poëem Requiem.

Groen en onschuldig was in elk geval het kindertheater, dat na de revolutie onder aanmoediging van Lenins vrouw Nadézjda Króepskaja en regisseur Konstantin Stanislávski een volwassen kunstvorm werd. Een pionier was de vijftienjarige Natalja Sats, dochter van Stanislavski’s huiscomponist Ilja Sats. Natalja opende in 1921 in een oude bioscoop, als eerste in zijn soort wereldwijd, het Moskous Kindertheater waar zij experimenteerde met interdisciplinair, ‘synthetisch’ theater. In 1933 bestelde ze bij Sergej Prokofjev de muziek voor ‘Peter en de Wolf’. Vier jaar later werden zij en haar man Israil Veitser, volkscommissaris voor de Handel, voor de wolven gegooid. Hij werd als ‘vijand van het volk’ terechtgesteld, zij verdween voor vijf jaar naar Siberië. Het Natalja Sats Muziektheater wordt ook vandaag nog bespeeld.
Sats_PolovinkinNatalja Sats werkte veel samen met componist Leonid Polovínkin (foto), die als secretaris een belangrijke rol speelde in de ASM en meewerkte aan ‘collectief’-composities zoals ‘De Vier Moskous’ met Anatoli Aleksandrov, Dmitri Sjostakovitsj en Aleksandr Mosolov. Anáit Karpova, achterkleinkind van Natalja Sats en leerling van Viktor Merzjánov, speelt uit Zes stukken voor piano opus 30 de wals waarmee Polovinkin de stem en intonatie van haar overgrootmoeder zou hebben geïmiteerd, en het slaapliedje.
Wij lieten Dmitri Sjostakovitsj in de vorige aflevering achter toen hij zijn vader had verloren en in de bioscoop ging bijverdienen als pianist-illustrator. Begin 1923 onderging hij een operatie vanwege tbc. Voor zijn herstel moest hij naar de Krim en zijn moeder moest de vleugel verkopen om dat te betalen. In het sanatorium trof de zestienjarige Dmitri de familie Koestódjev en een betoverend leeftijdgenootje, Tatjana Glivenko. De verlegen Dmitri werd verliefd en componeerde voor Tanja zijn Pianotrio in C groot, opus 8.
Leeftijdgenoot Aleksej Zjivótov was in Leningrad een leerling van Vladimir Sjtsjerbatsjóv. De Solisten van het Bolsjoj Theater met dirigent Aleksandr Lázarjev spelen zijn Frammenti voor nonet, opus 2, uit 1928. De opus 2 van Gavril Popov, een andere leeftijdgenoot en geestverwant, zal trouwe luisteraars bekend in de oren klinken. Luistert u naar Popovs eindexamenwerkstuk, de Kamersymfonie in C, oorspronkelijk ‘Septet’ geheten. Met ‘een voet in verschillende kampen’, muzikale kampen wel te verstaan, componeerde Leonid Polovinkin in 1928 zijn mozaïek voor groot orkest ‘Telescoop 2’.
Sjostakovitsj 1929 NappelbaumDmitri Sjostakovitsj in 1929.
De achttienjarige Sjostakovitsj liet zijn grote talent ook horen in het Scherzo in Es, dat hij in 1924 opdroeg aan zijn oudere vriend Pjotr Rjasanov. Sjostakovitsj’ biograaf Krysztof Meyer vertelt dat dit werk tot de eerste botsing leidde met docent Maksimilian Steinberg, niet voor niets de schoonzoon van Rimski-Korsakov, die de contouren vreesde te zien van een derde saboteur van de klassieke traditie, na Stravinski en Prokofjev. Steinbergs vrees werd volledig weggenomen met het afstudeerwerkstuk dat Sjostakovitsj niet veel later aan hem voorlegde. De Eerste symfonie typeerde hij als een ‘uitdrukking van uitzonderlijk talent’, een mening die werd gedeeld door directeur Aleksandr Glazoenov en dirigent Nikolaj Malko, die in 1925 was teruggekeerd uit Vitebsk en op 12 mei 1926 de wereldpremière in Leningrad voor zijn rekening nam.
Alles ter nagedachtenis aan jou…’ Deze dichtregel van Aleksandr Poesjkin uit 1825 gaf dichteres Anna Achmátova als motto mee aan haar Noordelijke Elegieën, een gedichtencyclus die ze schreef in een van de zwartste perioden van haar land en haar leven, tussen 1940 en 1955. We zitten daarmee ineens in het hart van Rusland in de vorige eeuw, in de Sovjet-Unie tijdens de Grote Vaderlandse Oorlog; en met deze twee grote Russische dichters proberen we ook de ziel van Rusland te naderen. Want, zoals Aleksandr Herzen zei na lezing van Gogols Dode Zielen: “De Russische ziel had in potentie veel te bieden.”
Leonid Aleksejevitsj Polovinkin (1894-1949).
1. Wals, opus 30 nr. 4,
2. Slaapliedje, opus 30 nr. 5 (1927-1929).
Anait Karpova, piano.
Fuga Libera FUG555
3. Dmitri Dmitrijevitsj Sjostakovitsj (1906-1975).
Pianotrio in C, opus 8 (1923).
Julian Rachlin, viool. Misja Majski, cello. Itamar Golan, piano.
ONYX 4026
4. Aleksej Semjonovitsj Zjivotov (1904-1964).
Frammenti (Fragmenten) opus 2 in negen delen voor nonet (1928).
Solisten van het Bolsjoj Theater olv. Aleksandr Lázarjev.
Melodiya 74321 49955 2
5. Gavril Nikolajevitsj Popov (1904-1972).
Kamersymfonie in C, opus 2, ‘Septet’ (1927).
Solisten van het Bolsjoj Theater olv. Aleksandr Lázarjev.
Melodiya 74321 49955 2
6. Leonid Aleksejevitsj Polovinkin (1894-1949).
Telescoop II (1928).
USSR Academisch Staatssymfonieorkest olv. Gennadi Rozjdestvenski.
Brilliant Classics 9019
Dmitri Dmitrijevitsj Sjostakovitsj (1906-1975).
7. Scherzo in Es opus 7 (1923-’24).
Symfonieorkest van het USSR Ministerie van Cultuur olv. Gennadi Rozjdestvenski.
Melodyia/BMG ADD 74321 59058 2
8. Symfonie nr. 1 in f, opus 10, voor orkest en piano (1923-1925).
Symfonieorkest USSR Ministerie van Cultuur olv. Gennadi Rozjdestvenski.
Melodyia/BMG ADD 74321 59058 2

Samenstelling: