spinner

Thema

Oorgetuige #30: Nomadenkamp (4) Bolsjewizië.
‘Alles ter nagedachtenis aan jou…’, onze serie over Russische muziek van de twintigste eeuw. In deze aflevering raakt het nomadenkamp op drift in Bolsjewizië, zoals Sergej Prokofjev het Rusland van na de revolutie noemde.

Aan het Petersburgs conservatorium behoorde Michail Gnésin met Maksimilian Steinberg, Nikolaj Malko en Igor Stravinski tot de ‘Rimski-groep’. Hij was een goede vriend van regisseur Vsevolod Meyerhold. Met Lazar Saminski en Joeli Engel was Gnésin een drijvende kracht achter de joodse renaissance in de oude hoofdstad. In de beginjaren na de revolutie gold hij nog als een toonaangevend musicus. Op verzoek van de bolsjewieken componeerde hij in 1925 het ‘Symfonie-monument 1905-1917’ op poëzie van Sergej Jesénin, die datzelfde jaar zelfmoord pleegde. Deze ‘kapitaalvernietiging voor de revolutie’ werd Jesenin kwalijk genomen door Majakóvski, die zich vijf jaar later aan eenzelfde ‘kapitaalvernietiging’ schuldig maakte. Anna Achmatova schreef: ‘Als ik iets afkeurends over Jesenin zei, wierp Mandelstam tegen dat je Jesenin alles kon vergeven vanwege de regel: “Ik heb geen ongelukkigen in kerkers doodgeschoten.”’
RoslavetsOok Nikolaj Roslavets was een belangrijke modernist die na de revolutie aanvankelijk een grote rol speelde in de muziekwereld. Hij vocht voor professionaliteit in de muziek en was in 1923 medeoprichter van de Associatie voor Hedendaagse Muziek ASM. In het artikel ‘Over pseudo-proletarische muziek’ trok hij ten strijde tegen vulgaire slaafsheid van kunst aan ideologie. Dat kwam hem zeer duur te staan. Al eind jaren twintig kwamen proletarische kunstenaars aan de macht die hem brandmerkten als ‘bourgeois’, ‘contrarevolutionair’ en ‘klassevijand’. De ‘zaak-Roslavets’ mondde uit in publieke penitentie en zijn praktische verbanning naar Tasjkent, Oezbekistan, waar hij in 1944 stierf na twee zware hartaanvallen. Zijn werk ging eerder in de ban en bleef dat tot de Sovjet-Unie uiteenviel. Ondanks onvoorstelbare tegenwerking van de autoriteiten ontdekte musicologe Marina Lobanóva in 1989 het manuscript van Roslavets’ Eerste Vioolconcert uit 1925, dat verloren heette te zijn. Violiste Tatjana Grindenko bracht het werk nog hetzelfde jaar in Moskou in wereldpremière onder Fjodor Glóesjtsjenko.
‘Via dat paadje boven een afgrond moest ik kennelijk ergens naartoe zien te komen,’ schreef Anna Achmatova in ‘Over 1925’, ‘maar waarnaartoe?’
Aleksandr Mosolov was niet alleen een prominent musicus. In de Burgeroorlog had hij in Polen en Oekraïne meegevochten met de Rode Ruiterij. Hij kreeg bolsjewistische onderscheidingen en een post-traumatisch stress-syndroom. Net zoals Roslavets was Mosolov actief bij de ASM. Aan het Moskous conservatorium studeerde hij compositie bij Glière en Mjaskovski en piano bij Konstantin Igoemnov.
Het Bolsjoj Ballet nodigde Mosolov met Polovinkin, Aleksandrov en Sjostakovitsj uit om muziek voor het ballet De Vier Moskous te componeren, waarbij hij het jaar 2117 voor zijn rekening zou nemen. Zover kwam het niet, maar Moskou was in 1926 wel podium voor Mosolovs Eerste Pianoconcert, dat als het ‘eerste anti-romantische sovjetconcert’ de geschiedenis in is gegaan.
Joeri Sjaporin koos pas op latere leeftijd definitiefMaria Joedina voor de muziek. Op 26-jarige leeftijd werd hij op het Petersburgse conservatorium leerling van Steinberg en Tsjerepnin. Sjaporin behoorde in 1923 ook tot de oprichters van de ASM. Zijn Tweede Pianosonate uit 1926 wordt gespeeld door Maria Joedina (foto), die in Petersburg in de pianoklas van Nikolajev zat samen met Vladimir Sofronitski en Dmitri Sjostakovitsj. Hoewel zowel Joedina als Sofronitski als een groter talent werd beschouwd, was in 1927 Sjostakovitsj een van de sovjet-deelnemers aan het eerste internationale Frédéric Chopin Pianoconcours in Warschau. Een van de Moskouse afgevaardigden was Grigori Ginzburg, een leerling van Aleksandr Goldenweiser.
Op de foto de klas van Ginzburg (2de rij, 3de van links) aan het Moskous conservatorium tussen 1925 en 1929, met rechts zittend Esther Tsjernysjeva-Mentsjikovskaja, de grootmoeder van Marina Lobanova.
Ginsburg_class_Lobanova.JPG
‘Alles ter nagedachtenis aan jou…’ Deze dichtregel van Aleksandr Poesjkin uit 1825 gaf dichteres Anna Achmátova als motto mee aan haar Noordelijke Elegieën, een gedichtencyclus die ze schreef in een van de zwartste perioden van haar land en haar leven, tussen 1940 en 1955. We zitten daarmee ineens in het hart van Rusland in de vorige eeuw, in de Sovjet-Unie tijdens de Grote Vaderlandse Oorlog; en met deze twee grote Russische dichters proberen we ook de ziel van Rusland te naderen.
Want, zoals Aleksandr Herzen zei na lezing van Gogols Dode Zielen: “De Russische ziel had in potentie veel te bieden.”
1. Michail Fabiánovitsj Gnésin (1883-1957).
Lied van een dolende ridder opus 34 (1921), ter nagedachtenis aan Süßkind von Trimberg, een joodse minnezanger uit de 13e eeuw.
Uri Vardi, cello, Uriel Tsachor, piano.
Beth Hatefutsoth BTR 9801
Nikolaj Andrejevitsj Roslavets (1881-1944).
2. Twee gedichten (1920).
Marc-André Hamelin, piano.
Hyperion CDA66926.
3. Vioolconcert nr. 1 (1925).
Tatjana Grindenko, viool, en het Radiosymfonieorkest Saarbrücken olv. Heinz Holliger.
Wergo WER 6207-2
Aleksandr Vasiljevitsj Mosolov (1900-1973).
4. Pianosonate nr. 4 opus 11 (1925).
Roesoedan Choentsarija, piano.
Melodiya Musica Non Grata 74321 56263 2
5. Pianoconcert nr. 1, opus 14 (1926).
Roesoedan Choentsarija, piano, en het USSR Symfonieorkest olv. Vladimir Kozjoechar.
Melodiya Musica Non Grata 74321 56263 2
6. Joeri Aleksandrovitsj Sjapórin (1887-1966).
Pianosonate nr. 2, opus 14 (1926).
Maria Jóedina, piano.
Melodiya Musica Non Grata 74321 56263 2
7. Aleksandr Nikolajevitsj Skrjabin (1872-1915).
Etude nr. 1 in cis, nr. 7 in bes en nr. 12 in dis, opus 8 (1894).
Grigori Ginzburg, piano.
Vox Aeterna Ltd. VACD 00106
Met dank aan Henny van der Groep en Marina Lobanova.

Samenstelling: