Search for:
spinner

Gitarist René Thomas, 1926-1975 (1/2)

ma 16 mrt 2026
Thema: Jazz

21-03-2026, 17:00 uur – House of Hard Bop.
De Belgische gitarist René Thomas liet zich op vroege leeftijd inspireren door gipsy-gitarist Django Reinhardt, alsook door bebop gitarist Jimmy Raney. In België speelde hij regelmatig met tenorist Bobby Jaspar en saxofonist Jacques Pelzer. Begin jaren ’50 werd hij een bekend gezicht in de Parijse jazzscene. In 1956 verhuisde hij naar Noord-Amerika – Bobby Jaspar was hem al voorgegaan. In New York werkte Thomas met Sonny Rollins, Miles Davis, en anderen uit de premier league. Terug in Parijs (1962) zien we Thomas in gezelschap van Chet Baker, Kenny Clarke en Stan Getz.
Vakgenoten waren zich al vroeg bewust van Thomas’ kwaliteiten. Aanvankelijk een musician’s musician, verwierf hij op termijn een groeiend publiek.

In 1960 maakte Thomas in New York zijn plaatdebuut als leider, met het album Guitar Groove (label Jazzland). Eerder had hij al in platenstudio’s gestaan – met onder meer Sonny Rollins (Big Brass) -, maar Guitar Groove zette hem stevig op de kaart. In het kwintet horen we J.R. Monterose (tenor), Hod O’Brien (piano), Teddy Kotick (bas) en Albert “Tootie” Heath op drums. U hoort het volledige album: vier standards, en drie composities van Monterose.

Variatie in de stukken: niet alleen in compositie – vorm, karakter, tempo -, maar ook in de ‘rolverdeling’:
Wie neemt de eerste solo,
Piano voegt soms later in, begeleidt dan de gitaarsolo,
Kwartetbezetting, zonder sax,
Trio, zonder sax en piano (en vrijwel onhoorbaar slagwerk).

Drummer Albert “Tootie” Heath opent het eerste stuk met een introsolo, krijgt flink ruimte met trading fours/eights, en blijft sterk aanwezig.

Pianist Hod O’Brien is wel héél veel aan het vakkenvullen, met zijn comping achter de solisten…


Spontaneous Effect
(JR Monterose)
Ruby my Dear (Thelonious Monk)
Like Someone in Love (Jimmy Van Heusen)
MTC (JR Monterose)
Milestones (Miles Davis)
How Long has This been Going On (George Gershwin)
Green Street Scene (JR Monterose)

——————————————————

Eddy Louiss (1941-2015) begon in de jaren ’60 als zanger in Les Double Six – een spraakmakende, vocale groep die op virtuoze wijze ‘bebop’ zong. Naast hun close harmony textuur waren de individuele muzikanten uiterst bedreven in het zingen van bop-improvisaties, al dan niet met op topsnelheid gearticuleerde lyrics.
Maar Louiss week uit naar het hammondorgel, waarop hij, vergeleken met de usual suspects op dat instrument, een eigen stijl ontwikkelde.
In 1968 zit Louiss in de Studio Davout, in Parijs. Naast hem René Thomas, en drummer Kenny Clarke. Het album Eddy Louiss Trio zal pas vijf jaar later op de markt komen.

Nardis (Miles Davis)
De opening, twee hoge orgeltonen, doen onmiddellijk de oren spitsen. En aan het einde van de eerste acht maten – waarin de anderen reageren, en ook drummer Clarke het thema ritmisch meespeelt – zitten we er helemaal in. Met de inzet van de orgelsolo doet de energie een stapje terug, en gaat de focus naar de improvisatie. De verhouding solo en gitaarbegeleiding is dynamisch mooi in evenwicht. Dat evenwicht blijft als Thomas de solo overneemt. Louiss is ook een organist van de fraaie baslijnen! Drummer Clarke komt, parallel aan de organist, geleidelijk meer naar voren, wat uitmondt in een acht-om-acht, en daarna vier-om-vier dialoog. Het inmiddels hoge energieniveau blijft behouden in het afrondende thema.

Blue Tempo (René Thomas)
Een lange intro, uitlopend in een – ook harmonisch – ‘zoeken’ naar een begin. Daarna zet Clarke een up-tempo neer, en daar gáán ze. Een thema is er nauwelijks. Thomas zit direct in zijn improvisatie. De modale compositie heeft een 32-matige vorm: 2 maal 8 maten gebaseerd op één toonreeks. Vervolgens 8 maten met een andere reeks, waarna de eerste toonreeks weer voor 8 maten terugkeert. (Composities met een vergelijkbare vorm: Impressions van John Coltrane en So What van Miles Davis.) Dit modale principe creëert een andere beleving dan stukken met een op snelle harmoniewisseling gebaseerde song form.
Mis niet de overgang van gitaarsolo naar orgelsolo op 3’30”. Het lijkt afgesproken werk.
“Hard-driving organ jazz” schreef een criticus. En dat is het.

————————

In juni 1970 zit tenorist Stan Getz met zijn vrouw Monica in Parijs, om een tenniswedstrijd bij te wonen. Getz gaat ’s avonds langs bij de Blue Note, een club waar hij meermaals had gespeeld. “I walked in and my mouth fell open.” Op het podium: organist Eddy Louiss, René Thomas en drummer Bernard Lubat.
Wat deed Getz’ mond open vallen? Dat hoort u in de volgende aflevering van

House of Hard Bop – Eric Ineke