spinner

FOM16 | Leila Schayegh & Jörg Halubek

vr 2 sep 2016

Het was een mooi fijnzinnig concert door het duo Leila Schayegh (viool) en Jörg Halubek (klavecimbel). Ze zijn beiden onder meer opgeleid bij de beroemde Schola Cantorum Basiliensis, de broedplaats van de authentieke muziekuitvoering. Onze Gustav Leonhardt gaf daar nog les. Wekelijks reed hij daar met zijn bolide naar toe.

Leila Schayegh & Jörg Halubek – Albinoni en Bach
Donderdag 1 september, Aula Academiegebouw, Utrecht
door Govert Jan Bach

 

Dit duo wat vaker samenspeelt, koos voor Albinoni en zijn invloed op Bach, die inderdaad te weinig bekend is. Ze stelden een mooi programma samen met een aantal stukken van beide componisten.

 

Helaas kennen wij ook Albinoni te weinig. Alleen de pseudo Albinoni van het beroemde Adagio. Dat is een schepping van Remo Giazotto in 1958 die met wat flarden Albinoni een heerlijke romantische meezinger construeerde voor orgel, viool en strijkorkest. In feite knap werk, maar ver van Albinoni afstaand.

 

Albinoni die leefde van 1671 tot 1750 (zelfde sterfjaar als Bach) was vooral operacomponist maar promootte wel het hoboconcert en schreef veel sonates voor viool en klavecimbel.  Deze waren virtuozer dan die van Corelli en vertonen veel virtuoos positiespel. Ze waren Bach ten voorbeeld en hij gebruikte ze in zijn lespraktijk. Hij schreef een Preludium en fuga voor klavecimbel BWV 951 op een thema van Albinoni. Het wordt gedateerd in 1712, de vroege Weimarperiode. De tijd dat de spons Bach de Italiaanse muziek opzoog, Vivaldi, Locatelli en dus ook Albinoni.
Een boeiend stuk waarin we Arpeggio’s horen die een beetje denken aan de klavecimbelsolo van het Brandenburgs Concert nr. 5.

 

Leila Schayegh Jörg Halubek FOTO: © Susanna Drescher 2015 www.susannadrescher.ch

Leila Schayegh
Jörg Halubek
FOTO:
© Susanna Drescher 2015
www.susannadrescher.ch

Het duo besloot het concert dan ook met de prachtige 1e sonate voor viool en klavecimbel in b-klein, BWV 1014. Meteen al een groot verschil met de Italiaan: het klavecimbel heeft geen begeleidende rol, maar is een evenwaardige partner van de viool.

 

Deze vioolsonates die door het tweehandige klavecimbelspel eigenlijk al triosonates zijn, zijn ten onrechte niet zo beroemd als de solosonates uit Köthen. Ze worden gedateerd in omstreeks 1730 in Leipzig, waar Bach veel meer kamermuziek zou schrijven dan men aanvankelijk dacht. Ze zijn dan ook galanter en herinneren aan de opera.

 

Zeker bij deze 1e vioolsonate, waarin na een lange intro de viool zich met lange noten voegt in het kleed dat de klavecinist de lange noten doen denken aan de zanger, meestal een virtuoze castraat, die wil epateren met zijn grandioze ademtechniek. Maar Bach laat zich daar niet door vangen en we krijgen een heerlijk stuk te horen, met veel dubbelgrepen waardoor we soms even terug zijn in Köthen. Het laatste Allegro is Italiaanser dan een Albinoni zou kunnen en de 4-delige sonate eindigt wervelend.

 

De positietechniek had Leila niet steeds in de hand, maar in de langzame delen overtuigden ze zeer met een mooie samen opgebouwde polsslag en een diepe toonvorming in de viool.