spinner

Het Paleis van de Weemoed

za 30 nov 2019 20:00 uur

Jazz, blues en het kauwgomplaatjesgevoel.

 

Muzikale handtekeningen. In het swingtijdperk hadden dansorkesten een ’signature tune’, een herkenningsmelodie, zoals ook sommige solisten een aan hen vastgeklonken melodie of lied hadden.
Over de trombone werd wel gezegd dat die klonk als ‘een stervende koe in een onweersbui’. Pas toen Jack Teagarden in de muziek verscheen, werd de trombone net zo’n fascinerend instrument als de trompet. Teagarden’s ’theme-song’ werd ‘I gotta right to sing the blues’.
Door toeval kwam Count Basie aan z’n herkenningstune. De bandleider moest voor een radio-station een gaatje vullen aan het eind van een uitzending. Improviserend speelde hij twee stukken door elkaar en omdat het bijna één uur was, werd er de titel ‘One O’Clock Jump’ aan gegeven.
Voor Les Brown and his Band of Renown, ’the ice cream soda-band’, werd het vinnige compositie ‘Leap Frog’ gecomponeerd door de hoofd-arrangeur van Louis Armstrong.
Een bandleider die z’n stijl nogal eens veranderde was Boyd Raeburn. Toen hij ‘progressive jazz’ ging spelen, liet hij zich inspireren door de beboppers, maar ook door Stravinsky, en als signature tune koos hij een compositie van George Handy, die voor de titel de naam van een Europese schilder verhaspelde, en zo ontstond ‘Dalvatore Sally’.
Duke Ellington schreef speciaal voor tenorsaxofonist Ben Webster ‘Cotton Tail’, die in de plaatopname daarvan de ene mooie solo op de volgende stapelde.
De geestige ’Sugar Blues’ was decennia handelsmerk van Clyde McCoy, die met z’n gestopte trompet geestige ‘wah-wah-klanken’ voorbracht, en dat duizenden malen moet hebben gedaan. De melodie bezorgde hem de bijnaam ’king of corn’.
En zo komen er in Het Paleis ook herkenningstunes aan bod van Stan Kenton, Benny Carter, Gene Krupa, Earl Hines, Bunny Berigan, Lionel Hampton en de vaderlandse Ramblers.
Samenstelling & presentatie: